Jongeren die het onderwijs verlaten zonder diploma (startkwalificatie) betreden met een achterstand de arbeidsmarkt en lopen een verhoogd risico in de criminaliteit te belanden. Dit Het terugdringen van het aantal van deze ‘voortijdig schoolverlaters’ (vsv’ers) is een belangrijke doelstelling van de Rijksoverheid. Vsv is vooral een probleem op het mbo. Vsv percentages in Amsterdam zijn hoger dan in de rest van Nederland en er bestaan aanzienlijke verschillen per mbo-instelling en per opleiding. Omdat hoge vsv cijfers kunnen duiden op minder persoonlijke begeleiding en coaching bij een opleiding is het belangrijk om vsv-cijfers te bestuderen voordat je een opleiding kiest.

Voortijdig schoolverlaten als mogelijk teken van minder goede begeleiding op school

Voortijdig schoolverlaters (vsv’ers) zijn studenten die het voortgezet onderwijs of het mbo verlaten zonder startkwalificatie (minimaal een diploma op mbo-2 of havo of vwo). Vsv speelt vooral op het mbo: 78% procent van alle vsv’ers komt van het mbo. Vooral jongeren in een kwetsbare positie lopen het risico om vsv’er te worden. De gevolgen van voortijdig schoolverlaten zijn groot. Zowel voor de jongere, die minder kansrijk is op de arbeidsmarkt en een verhoogd risico loopt in de criminaliteit te belanden, als de maatschappij. Zo kosten voortijdig schoolverlaters de maatschappij ongeveer 4 miljard euro per jaar. Daarom wordt al jaren veel geld geïnvesteerd om deze aantallen te verminderen.

Belangrijke instrumenten bij het bestrijden van voortijdig schoolverlaten zijn voldoende persoonlijke aandacht (inclusief een effectieve verzuimaanpak) en goede loopbaanoriëntatie en -coaching op school. Daarnaast geldt dat een leerling die het naar zijn zin heeft op school valt minder snel uit . Een hoog vsv-percentage bij een opleiding kan daarom een teken zijn dat er bij deze opleiding minder persoonlijke aandacht is voor studenten. Daarmee is het vsv-percentage iets om rekening mee te houden bij schoolkeuze.

Toelichting gebruikte definities en methodiek

De officiële definitie van voortijdig schoolverlaten is iets ingewikkelder dan hierboven vermeld en luidt als volgt:

vsv’ers zijn jongeren van 12 tot 23 jaar die zonder startkwalificatie (minimaal havo, vwo of mbo-2 diploma) het onderwijs verlaten. Jongeren die geen startkwalificatie hebben maar wel een mbo-1 diploma en minimaal 12 uur in de week werk hebben tellen niet mee als vsv’er. Jongeren die verder studeren bij een andere instelling ook niet.

De in dit artikel gebruikte cijfers op opleidingsniveau voor Amsterdamse mbo-instellingen zijn afkomstig uit de Factsheets VSV . Alle overige cijfers komen uit het DUO vsv portal . Beide bronnen worden beheerd door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). DUO gebruikt als bronnen de 1-cijferbestanden voor de verschillende onderwijssectoren, aangevuld met gegevens van het UWV, en het register vrijstellingen van de Leerplichtwet. De DUO gegevens worden ook gebruikt door de onderwijsinspectie en Rijksoverheid.

Wat de politiek en scholen doen om vsv terug te dringen

De Rijksoverheid heeft de doelstelling geformuleerd om in 2021 maximaal 20.000 vsv’ers per jaar . te hebben. Om dit te bereiken zijn er binnen de kwaliteitsafspraken in het mbo resultaatafhankelijke budgetten, die mede afhangen van de ambitie en het resultaat dat scholen behalen in het terugdringen van vsv.

De mbo-instellingen nemen op papier min of meer dezelfde maatregelen om het percentage vsv’ers te verminderen. Ze schrijven deze maatregelen op in hun ‘kwaliteitsagenda’ (zie bijvoorbeeld de kwaliteitsagenda van het ROC van Amsterdam, p. 69) . Een nadere bestudering van deze kwaliteitsagenda’s laat zien dat zij bijvoorbeeld hulp bieden bij studiekeuze, het verzuim aanpakken en extra begeleiding bieden voor overbelaste en kwetsbare jongeren. Deze laatste maatregel beoogt dat jongeren met bijvoorbeeld schuldenproblematiek, een moeilijke thuissituatie of een beperking extra begeleiding krijgen op weg naar een startkwalificatie. Jongeren die ondanks deze inspanningen met hun opleiding stoppen worden door hun school begeleid richting een andere opleiding of zelfs een concurrerende instelling.

In hoeverre is deze aanpak succesvol? Afgaande op de cijfers, waren mbo-instellingen tot 2015-2016 goed op weg, maar de laatste twee jaar is ondanks alle inzet het aantal VSV’ers weer toegenomen.

Figuur 1: Aantal Vsv’ers per jaar, landelijk
[2010-2018]

Tot zover het landelijke beeld. In de rest van dit artikel zoomen we verder in op de situatie in Amsterdam.

Regelgeving overheid zorgt voor tegenstrijdige prikkels mbo-instellingen

De Rijksoverheid stelt jaarlijks 17 miljoen euro beschikbaar als resultaatafhankelijke financiering voor scholen die erin slagen schooluitval te verminderen. Hoeveel geld een school krijgt hangt af van het gerealiseerde vsv-percentage. Deze prikkel voor het aanpakken van vsv creëert zo een unieke situatie in het mbo-landschap. Normaal gesproken concurreren mbo-instellingen om dezelfde leerlingen, maar bij vsv hebben ze een gemeenschappelijke opdracht. Deze opdracht is om te voorkomen dat leerlingen die stoppen met een opleiding niet verder leren, dan tellen ze namelijk mee als vsv’er voor de instelling en krijgt de school minder geld. Om dit te voorkomen helpen instellingen afhakende leerlingen om een nieuwe opleiding te vinden, ook als dat bij een andere instelling is.

Dit belang kan botsen met andere belangen bij opleidingen waarbij de onderwijsinspectie lage rendementscijfers ziet. In deze normering wordt een instelling namelijk afgerekend op een ongediplomeerde instellingsverlater (zoals de potentiële vsv’er die wordt ondergebracht bij een andere mbo-instelling).

Amsterdams vsv hoog vergeleken met andere grote steden

Hoe zit het precies met het vsv-percentage onder mbo’ers die woonachtig zijn in de gemeente Amsterdam? Figuur 2 laat zien dat in de jaren 2015-2018 jaarlijks gemiddeld 8,6% van de Amsterdamse studenten in het mbo het onderwijs zonder startkwalificatie verlieten. Dit komt neer op ongeveer 1.100 studenten per jaar. Amsterdamse mbo’ers scoren hiermee een stuk slechter dan het landelijk gemiddelde en iets slechter dan het gemiddelde van de vier grootste steden.

Figuur 2: Vsv Amsterdamse mbo’ers, G4 en landelijk gemiddelde
[gemiddelde van periode 2015-2018]

Ook in vergelijking met mbo’ers uit de randgemeenten uit de agglomeratie Amsterdam (Aalsmeer, Amstelveen, Beemster, Diemen, Edam-Volendam, Haarlemmermeer, Landsmeer, Oostzaan, Ouder-Amstel, Purmerend, Uithoorn, Waterland, Wormerland en Zaanstad) is het vsv-percentage in Amsterdam hoger (zie kaartje in figuur 3).

Figuur 3: % Vsv in het mbo per gemeente
[gemiddelde van periode 2015-2018]

Amsterdamse studenten kiezen vooral voor Amsterdamse mbo-instellingen

“Oost west, thuis best” geldt ook voor het Amsterdamse mbo: 89% van de Amsterdamse mbo’ers kiest voor een school in de eigen gemeente. Vooral het ROC van Amsterdam is populair – ruim 70% van de Amsterdamse mbo’ers kiest voor deze school. Een kleiner deel van de Amsterdamse studenten gaat naar de vakscholen Mediacollege Amsterdam en het Hout- en Meubileringscollege. Dit betekent niet dat deze scholen niet populair zijn, maar komt simpelweg doordat ze een veel kleiner onderwijsaanbod hebben. Naast Amsterdamse studenten trekken deze scholen ook meer studenten aan uit andere regio’s.

Figuur 4: percentage mbo’ers naar mbo-instelling
[gemiddelde van periode 2015-2018]

Amsterdamse mbo-instellingen verschillen per niveau in vsv

Hoe zit het dan met de vsv-percentages van deze Amsterdamse mbo-instellingen? Deze lopen best wel uiteen (zie figuur 5). ROC van Amsterdam en ROC TOP, die de meeste studenten trekken, hebben ook de hoogste vsv-percentages. ROC TOP is tevens de instelling met het hoogste vsv-percentage van Nederland. De vakscholen Mediacollege Amsterdam en Hout- en Meubileringscollege zitten juist onder het landelijk vsv-gemiddelde.

Figuur 5: % vsv onder Amsterdamse mbo-instellingen, instellingsbreed
[gemiddelde van periode 2015-2018]

Ook dit is niet verbazingwekkend, omdat deze vakscholen geen niveau 1 opleidingen aanbieden en juist op niveau 1 vsv het meest voorkomt. Om een eerlijke vergelijking te maken moet je eigenlijk per niveau kijken (zie figuur 6). Percentages boven de landelijke norm zijn in rood weergegeven. ROC TOP zit voor ieder niveau boven de landelijke norm, ROC van Amsterdam voor niveau 2, 3 en 4. Dit kan ten dele worden verklaard met het feit dat deze scholen relatief veel Amsterdamse studenten hebben, bij wie vaker complexe, grootstedelijke problematiek speelt. Opvallend is dat het ROC van Amsterdam voor niveau 4 een aanzienlijk hoger vsv-percentage heeft dan de andere scholen.

Figuur 6: % vsv onder Amsterdamse mbo-instellingen, per niveau
[gemiddelde van periode 2015-2018]
Niveau 1

Niveau 2

Niveau 3

Niveau 4

Ook tussen opleidingen veel verschil in vsv

Tot slot bekijken we de slechtst scorende opleidingen van Amsterdamse mbo-instellingen. We kijken alleen naar opleidingen van niveaus 2, 3 en 4, die in 2016-2018 minimaal 100 studenten hadden, verdeeld over Amsterdamse mbo’s (zie figuur 7). Er blijven dan alleen opleidingen over die op het ROC van Amsterdam en op ROC TOP worden aangeboden. Opvallend is het grote aantal niveau 4-opleidingen. De opleiding Ondernemer detailhandel wijkt bijna 10 procentpunt af van het landelijk gemiddelde.

Figuur 7: top 10 opleidingen met hoogste afwijking van % vsv t.o.v. landelijk gemiddelde
[opleiding + niveau (n), gemiddelde van periode 2016-2018]

Toch zijn er ook weer verschillen tussen de scholen die deze opleidingen aanbieden. Dit is geïllustreerd in figuur 8. Zo is voor de opleiding Helpende Zorg & Welzijn (niveau 2) vsv een veel groter probleem bij ROC TOP dan ROC van Amsterdam en is het voor de opleiding Assistent communicatiemedewerker (niveau 4) precies omgekeerd. Hier scoort heeft ROC TOP zelfs een vsv percentage van 0%. Dit zijn verschillen om rekening mee te houden.

Figuur 8: % Vsv van top 10 opleidingen die het meest afwijken van het landelijk gemiddelde, per mbo-instelling
[gemiddelde van periode 2016-2018]

Hoe maak je de beste keuze?

Samenvattend kunnen we stellen dat met name de twee grote ROC’s in Amsterdam kampen met hoge vsv-cijfers, maar dat er ook veel verschillen zijn tussen opleidingen. Het is ook juist op team- of opleidingsniveau dat vsv wordt aangepakt. Het is slim bij het kiezen van opleiding en school niet te kijken naar het gemiddelde voor de hele school, maar vooral naar de vsv-percentages per opleiding bij voor die school en of deze sterk afwijken van de landelijke cijfers. Staar je alleen niet blind op de cijfers. Dat een opleiding een hoog vsv-percentage heeft, kan ook komen door toeval, of pech. Informeer daarom bij scholen en opleidingen wat zij doen om hun studenten te ondersteunen bij het behalen van een diploma. Goede en persoonlijke studie- en loopbaanbegeleiding is namelijk een van de belangrijkste middelen om voortijdig schoolverlaten tegen te gaan. Naast vsv-percentage zijn er nog andere dingen om op te letten bij het kiezen van een opleiding en school, zoals het arbeidsmarktperspectief. Hierover meer in een volgend blog. In de scholenzoeker zijn cijfers over vsv en arbeidsmarktperspectief opgenomen.

— Over de auteurs
The Next School is een adviesbureau dat onderwijsorganisaties om betere beslissingen te nemen met behulp van data. Naast advies op maat maakt The Next School ook software-oplossingen en dashboards om onderwijsinstellingen slimmer en efficiënter te laten werken.